Groene energie?

De leden van Vlaco zetten niet alleen organisch-biologische afvalstromen om in organische bodemverbeteraars en meststoffen.  Biogasinstallaties en, in mindere mate, composteringsinstallaties hebben tevens een rol in de opwekking van hernieuwbare energie (HE). Biogas of biomethaan afkomstig van het vergistingsproces wordt doorgaans in een warmtekrachtkoppeling (gasmotor) omgezet tot groene stroom en groene warmte voor eigen gebruik of toediening aan een elektriciteits- of warmtenet. En biomassa afkomstig van de composteersites (% van de zeefoverloop of fracties overtollig houtig groenafval) kan naar biomassacentrales gaan om energetisch gevaloriseerd te worden (zie verder: SYNECO).

Europese wetgeving

De Hernieuwbare Energie (HE) Richtlijn of  ‘Renewable Energy Directive’ (RED – 2009/28/EG ) verstevigde de basis voor de bevordering van het gebruik van hernieuwbare energie en meer bepaald de aanzet van de bindende, nationale HE-doelstellingen en actieprogramma’s.
De Richtlijn maakt deel uit van het in 2009 gepubliceerde Europese Energie- en klimaatpakket (2009) dat o.a. ook een herziening inhoudt van het ETS (handel in broeikasgas-emissierechten) (2009/29/EG) alsook een beschikking inzake de verdeling van de inspanningen om broeikasemissies te reduceren in niet ETS-sectoren (beschikking 406/2009/EG).

De tegen 2020 te behalen Europese 20-20-20 doelstelling is in feite een bindende 20% HE op het bruto energieverbruik, een bindende 20% minder broeikasgas-uitstoot in de niet-ETS sector (t.o.v. 1990), en een niet-bindende doelstelling van 20% minder energie  (hogere energie-efficiëntie).

De Hernieuwbare Energie Richtijn – vertaalde zich via het nationaal actieprogramma voor België in 13% HE in het bruto finaal energieverbruik. Hetgeen verder onderverdeeld werd als een doelstelling van 21% groene stroom, 12% groene warmte en 10% groene transportbrandstoffen.

Vlaamse wetgeving

Eind 2015 sloten de verschillende regeringen een akkoord i.v.m. de verdeling over de gewesten van de 13% HE-doelstelling. Vlaanderen nam de doelstelling aan van 10,5% groene energie op totaalverbruik onder meer te behalen door een aandeel groene stroom van 19%.

De rol van de VREG, de plichten van de distributienetbeheerders, de energieprestatie-regelgeving en de ondersteuning inzake groene stroom en warmte werd in Vlaanderen verder vormgegeven in het Energiedecreet (8/5/2009) en het Energiebesluit (19/11/2010). In deze teksten vindt men onder meer het kader en de regels van de exploitatiesteun via groene stroom certificaten (GSC)  & warmtekracht certificaten (WKC) waarbij per technologie-categorie een onrendabele top (OT) wordt berekend, basis voor de banding factor (BF). Deze laatste wordt als factor toegepast bij de toekenning van de certificaten per MWh groene stroom of primaire energie-besparing. Een correctie op de BF, namelijk de aftopping op 1,25 (Decreet) en 1 (Besluit), alsook de beperking in tijd van de toekenning van de certificaten - 10 jaar, tenzij langere decretale minimumsteun - zijn enkele van de vele, ingrijpende wijzigingen die sinds eind 2012 werden doorgevoerd in Energiedecreet en -besluit.

De praktische bevoegdheden inzake groene energie zijn verdeeld tussen de Vlaamse regulator (VREG) en het Vlaams Energieagentschap (VEA). Zo zal bij voorbeeld VEA de aanvraagbehandeling en de berekening van de certificaten voor zich nemen terwijl de VREG nog steeds instaat voor de toekenning, de monitoring van de handel en de inlevering van de certificaten. De websites van VREG en VEA bieden dan ook goede handvatten inzake de taken van de verschillende (markt)spelers, regelgevingen en de trends inzake (groene) energie in Vlaanderen.

Inzake de verlengingsmogelijkheden van de steunperiode van certificaat-toekenning voor installaties met startdatum vóór 2013 stelde VEA een online cursus ter beschikking.

Opvolging beleid

Vlaco volgt de ontwikkelingen van het hernieuwbare energiebeleid op en tracht deze ook mee te sturen. Onder meer via stakeholderreacties op beleidsvoorstellen en actieplannen van de Vlaamse overheid en op aanpassingen aan de ondersteuning van groene energie: groene stroom certificaten (GSC) per MWh netto groene stroom, warmtekracht certificaten per MWh primaire energiebesparing, en/of investeringssubsidies (‘calls’) - . Ook de insteek in het actieplan Biomassa(rest)stromen - door de Vlaamse Regering goedgekeurd in juli 2015 - en het blijvend onder de aandacht brengen van de precaire toekomst van biogasinstallaties zijn belangrijke aspecten van Vlaco’s opvolging van het energiebeleid.

Cijfers en doelstellingen

Vandaag is 10% van de opgewekte groene stroom in Vlaanderen afkomstig van verschillende types biogasinstallaties (bruto 750 GWh). De rest van de groene stroom wordt ingenomen door enerzijds ruim 3.000 GWh biomassa en anderzijds zonne-energie (2.220 GWh), waterkracht (10 GWh) en onshore windenergie (1.370 GWh).

Voor geactualiseerde overzichten van de groene energie-cijfers voor Vlaanderen kan de website van het Vlaamse Energieagentschap nuttige informatie leveren.

Met 7.500 GWh groene stroom zit Vlaanderen anno 2016 op 12,7% groene stroom. Samen met 4,9% groene warmte (7.100 GWh/26 PJ) en 4% groene stroom of biobrandstoffen als hernieuwbare transportenergie (1.750 GWh/6,4 PJ)  betekent dit dus dat ruim 16.000 GWh van de totaal afgenomen energie in Vlaanderen hernieuwbaar is.

 

Evolutie aandeel groene energie (%)
Evolutie aandeel groene energie (%) - bron: energieparen.be; VITO, Inventaris hernieuwbare energiebronnen Vlaanderen 2005-2015
 
Evolutie productie groene energie (GWh) -
Evolutie productie groene energie (GWh) - bron: energieparen.be; VITO, Inventaris hernieuwbare energiebronnen Vlaanderen 2005-2015

 

Dit is 6% van het huidige totaal Vlaams energiegebruik (275.000 GWh). Om de 2020 doelstelling van 25.074 GWh (oftewel 10,5% van het totale Vlaamse energieverbruik van 240.000 GWh in 2020) te bereiken is nog enige groei nodig. Zeker nadien, met een bindende doelstelling op Europees niveau van 27% hernieuwbare energie tegen 2030 zullen alle zeilen moeten bijgezet worden en ook knopen doorgehakt worden over de rol van onder meer (grootschalige) biomassa-installaties. Betreffende het te bereiken aantal GWh groene stroom uit biogas tegen 2020 (760 GWh cfr huidige Vlaamse subdoelstellingen) en nadien (2030 – 2050) is er reden om het Vlaamse beleid bij te schaven: zo betekent de sinds 2013 decretaal ingeperkte duur van de GSC-uitreiking (10 jaar) één van de verschillende uitdagingen die de sector het hoofd moet bieden.  

Focus biogasinstallaties

Biogasinstallaties zijn belangrijke baseload bio-energieproducenten die globaal in 2015 710.808 GSC’s uitgereikt kregen dus een netto groene stroom productie van 711 GWh (>< bruto 750 GWh). De belangrijkste types vergisters hierin zijn de agrarische en overige (industriële) vergisters die samen 654 GWh netto groene stroom produceerden in 2015. De subcategorie gft-voorvergisters met nacompostering vertegenwoordigde 17 GWh en stak voor de eerste maal de afnemende groene stroomproductie uit stortgas voorbij. Globaal genomen steeg de netto groene stroom productie dus van 512 GWh in 2012 tot 711 GWh in 2015 maar het valt op dat de productiestijging ieder jaar afneemt.

Aantal uitgereikte groenestroomcertificaten per type biogasinstallatie (2012-2015, VEA)

Jaar stortgas RWZI overig
(industrieel)
hoofdzakelijk
agrarisch
gft met
compostering
totaal
2015 16.147 22.782 87.284 567.134 17.461 710.808
2014 29.605 17.524 80.618 536.027 15.746 679.520
2013 40.116 16.324 79.979 461.058 14.762 612.239
2012 49.114 18.578 176.527 250.869 16.486 511.574

 

Of Vlaanderen de voorgenomen 2020 subdoelstelling (bruto) groene stroom uit biogas van 760 GWh haalt, waar de Vlaamse overheid effectief van uitgaat, is nog onderwerp van discussie. Sinds de grondige hervorming van de certificaatondersteuning eind 2012 is namelijk de beoogde certificaattoekenning voor zonne-energie (en dus dito capaciteitstoename) effectief beteugeld maar heeft de beperking in tijd van de certificaatuitkering er ook voor gezorgd dat de biogassector een toenemende uitval verwacht in de komende jaren. 

De afname van effectief verwerkte tonnages (per jaar) bij stopzetting van de vergisters na 10 jaar (onderstaande grafiek) – uitgaand van geen verlenging van certificaattoekenning – zou betekenen dat eind 2020 de helft van de verwerkte tonnages zouden wegvallen. Febiga berekende verder dat in termen van geïnstalleerd vermogen, mét inachtname van geschatte GSC-verlengingen o.b.v. vollasturen en vervolgens specifieke bandingsfactoren doch voorts ongewijzigd beleid, het elektrisch vermogen zou pieken in 2018 (128 MWe) maar vervolgens jaarlijks zou afnemen tot 0 MWe in 2030.

effect bij geen verlenging van certificaattoekenning

Andere uitdagingen voor de biogas-sector zijn de toegenomen kloof tussen de lage (internationale) energieprijzen versus de toegenomen eindconsumentprijzen en (dus) lagere energieverbruik en –inkomsten, alsook de strengere kredietvoorwaarden. Deze parameters werden al dan niet meegenomen in de certificaatsteun-berekening (onrendabele top (OT)). In de evolutie van deze OT-berekeningen door VEA valt verder op dat de subcategorie agrarische vergisters jaarlijks performanter zou worden t.o.v. de andere types vergisters.

Door een aanpassing van het Energiebesluit (8/2015) maakte VEA overigens begin 2016 voor de eerste maal gebruik van de mogelijkheid om ook alle vóór 2013 opgestarte vergisters aan een marktbevraging te onderwerpen, om zo meer data te hebben voor de OT-berekeningen. Vlaco zette zich mee in om deze additionele en relatief zware rapportering bevattelijker te maken voor de leden.

Focus houtige biomassa van composteringen

Met het SYNECO-project (IWT-VIS 110810) rondde Vlaco in 2014 een onderzoeks- en transformatietraject af inzake verhoogde synergie tussen de compostering en energiewinning. Meer bepaald door te kijken naar de eventuele voorvergisting van fijne fracties groenafval of de opties van verbranding van bepaalde houtige fracties groenafval afkomstig van de (groen)composteersites zonder de compostkwaliteit te benadelen. Een in SYNECO berekend scenario van 15% groenafval als biomassa (verbranding) en gft-voorvergisting bij alle gft-composteerders zou een totale productie  betekenen van ruim 110 GWh groene stroom en 200 GWh groene warmte náást 300.000 ton groen- en gft-compost. Rekening houdend met zelfafname-percentages van elektriciteit en warmte bij biomassa-installaties en biogasinstallaties kan dit neerkomen op het equivalent elektrisch verbruik van 27.000 gezinnen en het equivalent thermisch verbruik van 7.000 gezinnen.

De bevindingen en voorwaarden uit SYNECO zijn navenant doorvertaald in het actieplan Biomassa(rest)stromen. In ditzelfde actieplan staat als één van de streefdoelen om de gft-composteringen gefaseerd uit te breiden met een droge voorvergisting. Ook tot biomethaan opgezuiverd biogas wordt in het actieplan Biomassa(rest)stromen overigens aangewezen als een uit te bouwen route.

De feitelijke energetische valorisatie van zeefoverloop of overtollige biomassa uit composteringen verloopt sinds 2015 evenwel moeizaam door algemeen lagere afzetprijzen voor biomassa ten gevolge van internationale biomassa-overschotten (B-hout) in West-Europa en door een verminderde steun voor biomassa-installaties.

Toekomstig groene energie-beleid Vlaanderen (2016-…)

Zoals reeds gesteld is de komende decennia een toenemende groene energie-voorziening nodig. Het debat rond de grootschalige dan wel kleinschalige biomassa-installaties is eind 2016 nog niet beslecht. Evenmin de beslissing rond de billijke (verlenging van) ondersteuning van biogasinstallaties.

Positief zijn de terugkerende investeringssubsidies voor bedrijven of overheden rond de inzet van groene of restwarmte en biomethaan. Via deze calls zouden ook meerdere gft-composteringen moeten op termijn overschakelen naar een voorvergisting van gft-afval. Algemeen geldt: hoe lager het aangevraagde steunpercentage hoe beter de rangschikking van het project. Nieuw aan de laatste call (2016) is o.a. de steun voor geothermie alsook de aanvaarding van installaties die enkel voorzien in de omzetting van biogas tot biomethaan (als brandstof voor transport), dus zonder verplichting tot injectie in het aardgasnet. De voltooiing in 2016 door VITO van de warmtekaart van Vlaanderen in combinatie met deze calls kan ook voor bio-energie dus een extra impuls geven aan groene warmte richting warmtenetten. Dit laatste is op energiebeleidsvlak cruciaal aangezien warmte (en koeling) méér dan de helft van het totale energieverbruik uitmaakt

Minister Tommelein zet sinds 2016 naast energie-efficiëntie en groene warmte (warmteplan) evenzeer in op wind (windplan) en fotovoltaïsche energie (zonneplan) alsook het aanpakken van het overschot aan certificaten. Vlaco volgt mee de ontwikkelingen van het OT-model, banding factor, verlengingsmogelijkheden en de rapporteringsvereisten/-last op.

Tot slot is het voor de hele organisch-biologische sector belangrijk om van de processen en van de (energetische en materiële) eindproducten een betere intrinsieke waarde te schetsen: de gerealiseerde CO2-reducties in geval van vergisting en/of gebruik van digestaat of compost (t.o.v. fossiele pistes) dienen beter gekend en doorgerekend te worden door particulieren, gemeenten, gewesten en de EU. Meer consensus rond en visibiliteit van de vermeden voetafdruk is dan ook één van de ambities waaraan Vlaco invulling zal geven vanaf 2016.

Links