Composteerprincipes

Gunstige omstandigheden

De afbraakorganismen in het composterend materiaal hebben behoefte aan voedsel, vocht en zuurstof. Met die behoeftes moet je als composteerder voortdurend rekening houden.  Goede composteeromstandigheden bereik je door voortdurend een evenwichtige verhouding na te streven van groene en bruine materialen.

Voedsel, vocht, lucht en warmte vormen de basis van een goede compostering

Groene en bruine materialen

Groene materialen zijn de gemakkelijk verteerbare keukenresten, het grasmaaisel en de andere materialen die een zachte structuur hebben, veel vocht bevatten en rijk zijn aan voedingselementen.
Bruin materiaal daarentegen is stug en breekt veel langzamer af. Het verzekert een goede luchtdoorstroming doorheen de compostering. Voorbeelden van bruin materiaal zijn: houtsnippers, stengels van kruiden en vaste planten, fijne takjes van bomen en struiken, stro, dennennaalden, dorre en moeilijk verteerbare herfstbladeren ...

Streef naar evenwicht 

Beide groene en bruine materialen voeg je zoveel mogelijk afwisselend aan de compost toe. Bruin materiaal kan je stockeren totdat de periode van overmatige groenresten aanbreekt. Je vult in de herfst bijvoorbeeld een zak met droge bladeren en brengt er in de loop van de winter een handvol van in jouw compostvat telkens je er het emmertje met keukenafval in leegmaakt.  Beluchten en omzetten blijft belangrijk ongeacht de hoeveelheid toegevoegd bruin materiaal. Onder die omstandigheden doen de micro-organismen door hun activiteit de temperatuur in de compost stijgen. Soms gaat het maar over een paar graden, in heel 'actieve' compost kan de temperatuur echter oplopen tot 50 of 60° C en zelfs meer. Anderzijds zijn deze organismen voor hun activiteit ook afhankelijk van de temperatuur van de omgeving.