Eerste proefresultaten Viaverda-proeven (Hort2thefuture)

Viaverda voert in kader van Hort2thefuture-project proeven uit met onder meer producten van Vlaco-leden

Vlaco en proefcentrum Viaverda werken in het kader van het Horizon Hort2thefuture-project met diverse Europese partners samen rond nieuwe producten en praktijken voor een duurzamere tuinbouw. In Vlaanderen worden door Viaverda (Kruisem) doorheen de projectduur verschillende proeven uitgevoerd met sla, tomaat, bloemkool en selder met als doel efficiëntere water- en/of nutriëntengiften. Een stand van zaken:

1. Selder (WP4 – T4.1 (optimalisatie watergift)) 

Viaverda startte in het najaar van 2025 met de eerste grondgebonden serreteeltproef met het droogtegevoelige gewas selder. Hierbij kijkt Viaverda naar een mogelijke verbetering van de wateropname – of alvast hogere bestendigheid tegen droogtestress – door de bladeren van de selder te bespuiten met diverse biostimulanten. In 2026 wordt deze proef hernomen, waarbij ditmaal gefocust wordt op biostimulanten, bodemverbeteraars of surfactanten (voor verlaging oppervlaktespanning) die toegepast worden op de bodem en claimen wortelgroei te stimuleren. In een volgende fase (2027) zal een combinatie getest worden van eerder onderzochte blad- en bodem toegepaste producten.

Figuur 1: Selderproef, bron Viaverda


De eerste proef op selder (9/2025-2/2026) is intussen afgerond. Het doel was om te werken met bestaande, reeds vermarkte biostimulanten – gekozen op basis van literatuuronderzoek en de claims en beschikbaarheid. Viaverda koos zeven verschillende biostimulanten met bladtoepassing in functie van de gemaakte productclaims rond verhoging van plantweerbaarheid en mitigatie van droogtestress, zonder hierbij de wortelgroei te bevorderen.

De selder werd in eerder genoemde periode in de serre geteeld en kreeg water toegediend via bovenberegening in twee verschillende percelen: enerzijds beregening op basis van gemodelleerde evapotranspiratie – een 'ideale' watergift gebaseerd op metingen van luchtvochtigheid, temperatuur en lichtintensiteit – en anderzijds een (circa 60%) minder beregend perceel. Beide perceelstukken werden onderverdeeld in acht verschillende objecten (toediening van zeven verschillende biostimulanten en een achtste controle-object zonder biostimulant). De bodemvochthoeveelheid werd doorheen de proef in de verschillende referentie objecten continu gemeten aan de hand van TEROS 10-sensoren.

Resultaten

Aan het einde (februari 2026) van deze eerste selderproef werden geen grote verschillen opgemerkt inzake uniformiteit, veldvulling, bladkleur of hoogte van het gewas, dit zowel tussen de verschillende biostimulanten, als tussen de objecten onder normale beregening en onder droogteregime.

Er was bij de selderplanten in het minder beregende perceel wel meer last van bladluis. Naar opbrengst toe konden geen significante verschillen aangetoond worden tussen de normaal beregende planten en de planten onder droogteregime. Binnen het droge compartiment had het controle-object (geen biostimulant toegediend) de hoogste opbrengst (hoewel niet-significant verschillend van de overige objecten). Opvallend was ook dat in het minder beregende perceel – met dus droogtestress – de biostimulanten niet leidden tot betere resultaten dan de tegenhangers in het optimaal beregende perceel (eerder integendeel).  

Figuur 2: Opbrengstbeoordeling zeven biostimulanten, droogte vs beregend, bron Viaverda

 

Verdere proefopzet

In juli 2026 startte een nieuwe opzet waarbij andere biostimulanten, bodemverbeteraars en surfactanten worden getest die een verbeterde wortelgroei claimen. In deze proef zal niet meer met beregende versus deels beregende compartimenten worden gewerkt, maar met een 'natte’ controle versus de beperkt beregende objecten met biostimulantbespuiting. Viaverda acht deze aanpassing het meest relevant, omdat er ook meer ruimte nodig is voor herhalingen van de proef. Deze selderproef zal in 2027 gecombineerd worden met bladtoepassing van biostimulanten om de gecombineerde werking van biostimulanten en andere producten op droogtestress-bestendigheid, plantontwikkeling en wortelontwikkeling beter te begrijpen. 

2. Bloemkool (WP4 – T4.1 (optimalisatie watergift))

Ook in een eerdere reeks proeven bij Viaverda was het doel een efficiëntere (lees: lagere) watergift te kunnen realiseren. Viaverda testte bij de eerste twee proeven (2024-2026) – bij twee verschillende bloemkoolrassen (Clarina en Giemont) in vollegrondsteelt – verschillende irrigatiestrategieën: geen irrigatie versus druppelirrigatie (via bodemslangetjes). Deze druppelirrigatie was gestuurd hetzij op ‘telersgevoel’ (in praktijk startend vanaf koolvorming) hetzij op basis van TEROS10-sensor (ingesteld op streefwaarden pF1 2,7 en/of 100% of 50% waterbergend vermogen (WBC)). 

Figuur 3: bloemkoolproef 2026, bron Viaverda

 

Het eerste jaar was gekenmerkt door een overvloedige regenval. Enige verschillen in plantkwaliteit en oogstgewicht konden daardoor moeilijk toegewezen worden aan de druppelirrigatie. Daarenboven bleek zelfs meer water toegediend in de druppelgeïrrigeerde percelen2. De tweede proef (2025) met beide bloemkoolrassen leverde nuttigere inzichten: de pF 2,7-streefwaarde1  voor druppelirrigatie leidde tot zeer goede oogstresultaten inzake opbrengst en kwaliteit, maar wel tegen een 30% hogere watergift. De druppelirrigatie op basis van de 50% waterhoudend vermogen-streefnorm3 gaf een 60% lager waterverbruik dan de druppelirrigatie op basis van telersgevoel. Al draaiden de gewasbeoordelingsresultaten (opbrengst, wegval en aardvlo-aanwezigheid) toch iets ongunstiger uit dan de andere objecten – watergift gestuurd op de pF 2,7-drempel (TEROS 10 sensor) of op basis van telersgevoel – en dan vooral bij de Clarina-bloemkool. Het perceelstuk waar geen irrigatie werd toegediend presteerde, naar verwachting, merkelijk slechter op alle parameters. 

Figuur 4: opbrengstbeoordeling en kwaliteitsortering bloemkool, bron Viaverda


Tot slot was er ook wat betreft de gewaskwaliteiten (AA, A, B,..) een andere verdeling tussen de verschillende proefobjecten: naargelang het bloemkoolras en het type druppelirrigatie was er een significant hoger of lager teelt-aandeel beoordeeld als (slechts) ‘B’-kwaliteit of zelfs ‘afval’. De weerslag hiervan op de totale opbrengst van de bloemkoolteelt zal door Viaverda berekend worden voor deze en volgende proeven. Hierdoor zullen de onderzoekers ook de economische weerslag van een geoptimaliseerde watergift beter in kaart brengen. Viaverda concludeerde uit deze proef voorts dat de sensorgestuurde druppelirrigatie nog verder gefinetuned moet worden om gelijkwaardige of betere gewasresultaten te krijgen én een lager watergebruik ten opzichte van de referentie-irrigatie op basis van telersgevoel. 

De druppelirrigatie op zich is een nieuw gegeven voor de meeste vollegrondstelers – vooral vertrouwd met bovenberegening. Daarom besloot Viaverda in overleg met Vlaco om bij de bloemkoolproefopzet in april 2026 additioneel een object met bovenberegening aan te leggen. Bovendien werd besloten om enkel verder te gaan met de Clarina aangezien dit het meest droogtegevoelige bloemkoolvariëteit is van de twee. 

Figuur 5: Bloemkoolproef 2026, bron Viaverda

 

Op 22 april 2026 zette Viaverda de proef met bloemkool (Clarina) dan ook voor de derde maal op ditmaal met ook tot doel om de druppelslang-resultaten te vergelijken met deze van de conventionele bovenberegening. De TEROS 10 sensoren meten ditmaal bodemvocht niveaus op zowel 15 cm als 30 cm diepte. Viaverda gaf hierbij aan dat uitzonderlijk droge omstandigheden en sterke instraling van de zon al van bij aanvang zorgden voor vertraging van de plantontwikkeling, en dat: "Desondanks kiezen we ervoor de eerste 30 dagen na aanplant niet te beregenen, om diepere wortelgroei te bevorderen. Met de voorspelde zachtere omstandigheden van de komende weken zal dit echter ook niet nodig zijn. Vanaf 35 à 40 dagen na het planten zullen we in de proef bovenberegening vergelijken met druppelirrigatie. We gaan hierbij zowel druppelen volgens telersgevoel als volgens advies op basis van modelleringen.”

De 4 objecten zijn ditmaal: 

  • Geen irrigatie,
  • Druppelirrigatie op basis van telersgevoel,
  • Druppelirrigatie op basis van een adviessysteem gebaseerd op modelsimulaties op basis van weersomstandigheden, bodemeigenschappen en bodemvochtgehalte (wisselende pF-threshold, meting bodemvocht m.b.v. de TEROS10-sensoren)),
  • Bovenberegening op basis van telersgevoel.

De parameters die in deze laatste bloemkoolproef worden gemonitord zijn opnieuw bodemvocht, watergift, (de verhouding met) het oogstgewicht en kwaliteit van de kolen vlak voor en na de oogst, en het voorkomen van plagen en ziekten. Viaverda houdt ook bij hoeveel de vereiste arbeidsintensiteit (werkuren) en de verbruikte energie (kWh) bedragen.

Bedoeling is aan tuinders te kunnen demonstreren dat druppelirrigatie een valabel alternatief is dat tot optimaler watergebruik kan leiden. Dit zal worden afgewogen samen met de vandaag reeds ondervonden voor- en nadelen van zowel bovenberegening als druppelirrigatie. Een voordeel van druppelirrigatie is dat dit altijd toegepast kan worden, zelfs bij veel wind (geen drift) en veel hitte (geen bladverbranding) maar anderzijds brengen de aanleg, het wegnemen en/of het onderhoud van druppelslangen mogelijk een hogere tijdsinvestering met zich mee. 

3. Sla en tomaat (WP4 – T4.2 (vervanging minerale nutriënten) 

Kropsla (°2025) en tomaat (°2026) worden geteeld in verarmde serrebodems. Viaverda gaat na of gelijkwaardige oogstresultaten worden behaald bij bemesting met diverse organische meststofblends. Doel is te besparen op de minerale bemesting, de afhankelijkheid van kunstmest dus te verminderen en het gebruik van landbouwinputsen de bodemgezondheid te verbeteren. De blends zijn gemaakt met lokale circulaire meststoffen en bodemverbeteraars waaronder gedroogd digestaat van diverse origines, compost, ammoniumsulfaat en bokashi. 

De bedoeling van de proeven is met andere woorden om mengsels te ontwikkelen die de afhankelijkheid van kunstmest verminderen, en het inefficiënt gebruik van landbouwinputs en de suboptimale bodemgezondheid verbeteren. 

2025 - Sla

De blends, door Vlaco en meststofproducenten Viano en DCM samengesteld, zijn drie korrels op basis van gedroogd digestaat, een bokashi-blend en groencompostblend. Ze zijn allen opgemengd met organische N- en K-meststoffen tot een NPK van ongeveer 7-1-4. Viaverda vergelijkt de organisch bemeste plots met een referentieplot die de minerale meststof Floranid Permanent bevat. 

Tabel 1: Geteste blends sla (2025), bron Viaverda

 

Met de proefmeststoffen is er een bemesting uitgevoerd in de verschillende objecten, het stikstofgehalte is telkens aangevuld tot 200 kg N/ha. Tegelijkertijd werd met patentkali (in het referentieobject) of vinasse-extract (in de andere objecten) het kaliumgehalte aangevuld tot 150 kg K/ha.

Na 7 weken (eind juli 2025) beoordeelde Viaverda de sla op onder andere kwaliteit en opbrengst. Tussen de verschillende plots zag men weinig significante verschillen: enkel het object dat bemest was met één van de gedroogd digestaat (30% DD4)-gebaseerde korrels presteerde dit jaar wat minder op vlak van gewasbeoordeling en kwaliteit (graterigheid en broekvorm). 
 

Figuur 6: Slaproef 2025, bron Viaverda

 

2026 - Tomaat en sla

In april 2026 startte Viaverda een soortgelijke proef met tomaat (een vruchtgewas met lange teeltperiode). Er zijn dit jaar negen proefobjecten aangelegd waarvan één minerale en één organische (biologische) meststofreferentie alsook één onbemest object.

Tabel 2: Geteste blends tomaat en sla (2026), bron Viaverda

 

Viaverda gaf verder aan dat de nieuwe aanmaak van de met (38% en 19%) gedroogd digestaat DD1 gemaakte blends nu voorafging door een verdere verkleining en afzeving van het gedroogd digestaat zodat een representatieve, fijne meststofkorrel kon worden toegediend. Ook zouden de blends gemaakt met bokashi (tarwe) en compost – in combinatie met bloedmeel en vinasse – relatief makkelijk ontmengen. Voor de eerste maal wordt in deze proef met tomaat ook een blend meegenomen bestaande uit compost, bloedmeel, vinasse-kali en ammoniumsulfaat.

Voor één van de mengsels (DD3-korrel) die werden getest in dit project, werd gedroogd digestaat van de firma Ecoson/Darling Ingredients gebruikt. In de loop van de eerste twee maanden sinds de proef startte zijn er verder geen bijzonderheden gemeld noch inzake aanmaak of toediening van de blends, noch inzake geobserveerde gewasverschillen. Het bemestend effect van de DD3-korrel is (tot op heden) vergelijkbaar met minerale meststof.

De bemesting van de tomaat gebeurt op basis van diverse bodemanalyses doorheen de tijd. Na een initiële bodemanalyse werd met de diverse blends een eerste basisbemesting toegediend om de al aanwezige nutriëntenvoorraad in de bodem aan te vullen zodat 250 eenheden N en 150 eenheden K aanwezig waren vóór het uitplanten van de tomaat. Hierna volgt een gefractioneerde bijbemesting bestaande uit een eerste bijbemesting van 75 eenheden N en 70 eenheden, gevolgd door twee bijbemestingen van telkens 50 eenheden N en 50 eenheden K. Voor de bijbemesting worden de bovenvermelde blends meer bepaald gebruikt voor de N-gift en wordt de kalium daarna apart aangevuld.

In de loop van de eerste twee maanden sinds de proef startte zijn er verder geen bijzonderheden gemeld, noch inzake aanmaak of toediening van de blends. Voorlopige resultaten tonen geen grote verschillen in gewasstand aan tussen de objecten.  

Figuur 7: Viaverda-onderzoek (tomaatproef) 2026, bron Viaverda

    

Figuur 8: Viaverda-onderzoek (tomaatproef) 2026, bron Viaverda

 

 

Figuur 9: Gemiddelde lengte tomaatplant (2026), bron Viaverda

 

Figuur 10: Gemiddelde diameter tomaatplant (2026), bron Viaverda


Aanvankelijk werd volgens tros geoogst, later op het seizoen werd overgeschakeld op losoogst. Per oogstmoment werd telkens het gewicht van de tomaten (en eindtotaal) genoteerd ter vergelijking. Op basis van voorlopige resultaten presteert de biologische referentie en de compostblend het beste, terwijl de blend die 38% DD1 bevat, voorlopig het minste presteert. Na afloop van de proef zal nog een statistische analyse uitgevoerd worden om deze voorlopige resultaten te concretiseren en zo tot gefundeerde conclusies te komen.

Figuur 11: Gemiddelde opbrengst tomaatplant (2026), bron Viaverda

 

Viaverda herneemt verder in najaar 2026 opnieuw de slaproef met dezelfde blends als in de tomaatproef (2026). Later (2026-2027) kunnen ook Vlaamse serretelers verbonden aan Viaverda deelnemen aan soortgelijk proeven met sla, tomaat of andere gewassen om de meest beloftevolle producten en praktijken uit te testen en op te schalen.
 

1 Een pF-curve geeft informatie over de waterhuishouding van een bodem en is meer bepaald een maat voor de zuigspanning van bodemwater. Het geeft een specifiek niveau van waterbeschikbaarheid aan voor planten. 

2 In 2024 werd een met TEROS10-gemeten streefwaarde gehanteerd van 100% waterhoudend vermogen (100% WBC) hetgeen resulteerde in een veel hogere watergift dan in het proefperceel met irrigatie op basis van telerservaring.

3 Watergift zodra waterhoudend vermogen – ‘water bearing capacity’ (WBC) gemeten door de TEROS 10-sensor – van de bodem zakt onder de 50%.